Het belang van de 'Daily Life' oefeningen voor de motoriek
Je kind staat te popelen om te helpen in de keuken. Het grijpt naar de fles olijfolie om te schenken over de aardappelen.
Jij zucht even, want het is een bende. Toch is dit precies wat Maria Montessori bedoelde met 'Daily Life' oefeningen.
Het is geen rommel maken, het is de basis voor een leven lang motorische vaardigheden. In de wereld van de kinderopvang en het Montessori-onderwijs weten we dit dondersgoed, maar vaak vergeten we hoe diep deze activiteiten eigenlijk gaan. Het gaat niet alleen om een ei pellen, maar om het trainen van de hersenen en spieren voor de complexe wereld daarbuiten.
Veel pedagogisch medewerkers in de kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang (BSO) zijn op zoek naar de 'magic bullet' voor fijne motoriek. Ze kopen dure fijne motoriek spellen van €20 tot €40 per stuk.
Maar de echte magie zit vaak in de alledaagse dingen. De basis van de Montessori-methode, die in bijna elke Nederlandse kinderopvang terug te vinden is, draait om autonomie. En autonomie begint bij het kunnen beheersen van je eigen lichaam. Joseph Nienhuis, een bekende naam in de Montessori-wereld, bracht het materiaal ooit terug tot kindergrootte. Waarom? Omdat het materiaal moet passen bij het kind, niet andersom.
Inleiding tot oefeningen uit het dagelijks leven
De 'oefeningen uit het dagelijks leven', ofwel de Practical Life activiteiten, zijn de hoeksteen van het Montessori-aanbod. In het Children's House in Rome begon Maria Montessori hiermee.
Het zijn activiteiten die de kinderen zien doen thuis en die zij graag willen imiteren. Denk aan water schenken, vegen, afstoffen of een knoop dichtdoen. Waarom doen we dit?
Omdat het kind een natuurlijke drang heeft tot onafhankelijkheid. Door deze oefeningen te doen, leert het kind orde, concentratie en coördinatie.
Deze activiteiten zijn de brug tussen het lichaam en de geest. Als een kind water schenkt uit een kan van 250 ml, moet het zijn arm stabiliseren, het tempo regelen en stoppen op het juiste moment. Dit vereist een enorme focus. In de praktijk zie je dat dit soort materiaal vaak wordt aangeboden op speciaal ontworpen stellingkasten, zoals de klassieke Nienhuis wandkasten van ongeveer €450 tot €600.
Maar je kunt ook prima een eigen 'werkplek' inrichten met een stapelblok en een dienblad. Veel pedagogisch medewerkers maken de fout om direct te starten met stiften en scharen.
Ze willen kinderen snel 'iets' leren. Maar motoriek ontwikkelt zich van grof naar fijn. Je kunt niet verwachten dat een kind van 3 jaar netjes kan kleuren als hij nog niet eens zijn romp stabiel kan houden.
De Daily Life oefeningen zijn de training voor de schrijfmotoriek. Ze bouwen de spierkracht en het zenuwstelsel op die nodig zijn voor die volgende stap.
Waarom is bewegen juist belangrijk op jonge leeftijd?
De hersenen van een jong kind zijn extreem plastic. Dat betekent dat ze makkelijk nieuwe verbindingen aanmaken.
Elke beweging die een kind maakt, is een signaal naar de hersenen.
De hersenen verwerken dit en sturen betere signalen terug. Dit proces heet myelinisatie. Het is het aanleggen van een isolerende laag om zenuwbanen, waardoor signalen sneller worden doorgegeven.
Hoe vaker je een beweging maakt, hoe sneller en automatischer deze wordt. Als we kinderen alleen maar laten zitten, misbruiken we deze gevoelige periode niet.
In de kinderopvang en op de BSO is het vaak druk. Er moet worden gegeten, geslapen en er moet worden gewerkt. Toch is het essentieel om beweging in te bouwen. Denk aan de prijs van een simpele bal: €3 tot €10.
Met die bal kun je al zoveel motorische vaardigheden trainen. Werpen, vangen, rollen.
Fasen van de motorische ontwikkeling
Dit traint de oog-handcoördinatie, die later onmisbaar is bij het schrijven en lezen. Een kind dat veel beweegt, kan zich beter concentreren. Dit is een feit dat in de pedagogiek vaak wordt onderschat.
Door te bewegen, verbruikt het kind overtollige energie en activeert het de hersendelen die nodig zijn voor focus. In de BSO-groepen zie je dit vaak: kinderen die net van school komen, moeten eerst even 'ontladen'.
Een paar minuten intensief bewegen met de grove motoriek zorgt daarna voor een rustigere sfeer. De motorische ontwikkeling verloopt in vaste fasen. Volgens Bron 3 lopen deze fasen van ongeveer 3 tot 12 jaar.
Het is handig om te weten waar je kind (of de groep) zich bevindt, zodat je passende activiteiten kunt aanbieden. We onderscheiden grofweg drie fasen in deze leeftijdsgroep.
De eerste fase is de Symmetrische fase. Deze loopt tot ongeveer het 6e levensjaar.
In deze fase bewegen beide kanten van het lichaam hetzelfde. Een kind gooit met twee handen, springt met beide benen tegelijk. De ogen bewegen synchroon.
In deze fase is het belangrijk om veel ruimte te geven voor grove bewegingen. Denk aan klimmen op een klimrek van ongeveer €200 tot €300 of het bouwen van grote bouwwerken met blokken.
De tweede fase is de Lateralisatiefase. Deze duurt van ongeveer 6 tot 8 jaar. Het lichaam gaat nu differentiëren. De linker- en rechterkant gaan gescheiden taken uitvoeren.
Dit is het moment dat de voorkeur voor links- of rechtshandigheid duidelijk wordt.
Kinderen gaan nu bijvoorbeeld een bal gooien met één hand. Ook beginnen ze met draaiende bewegingen, zoals het draaien aan een tol. De derde fase is de Coördinatiefase.
Dit is vanaf ongeveer 8 jaar. Hierin komen de bewegingen steeds preciezer en economischer.
Kinderen kunnen nu ingewikkeldere vaardigheden aanleren, zoals fietsen zonder handen of het vastmaken van ingewikkelde knopen. In de BSO kun je deze kinderen uitdagen met technisch speelgoed of sporten die meer precisie vereisen.
De beweegthema's van Jonge Sporthelden
Een concept dat in Nederland steeds vaker wordt gebruikt in de opvang is 'Jonge Sporthelden'. Dit is een methode om sport en beweging aan te bieden aan peuters en kleuters. Hoewel het geen puur Montessori-methode is, sluit het naadloos aan bij de visie van Maria Montessori op de buitenschoolse opvang en de behoefte aan beweging.
De kern is dat bewegen leuk moet zijn en dat het kind de regie heeft.
Dit past bij de pedagogische visie van de kinderopvang, waarbij we kijken naar de evolutie van Montessori pedagogiek in de 21e eeuw. De thema's die hierbij horen zijn vaak gericht op de basismotoriek: gooien, vangen, trappen, springen en klimmen.
Deze thema's sluiten aan bij de grove motoriek die we in de symmetrische fase (tot 6 jaar) nodig hebben. In plaats van een competitieve sportles, draait het om het ontdekken van het eigen lichaam. In de BSO is dit ideaal om de middag te beginnen.
De materialen hiervoor hoeven niet duur te zijn. Een setje kegels van €10, een springtouw van €5 en een parachute van €25 zijn vaak al voldoende.
Door deze activiteiten te combineren met de Montessori-oefeningen en de begeleiding, creëer je een rijke leeromgeving. Je begint met de grove beweging (de parachute optillen en laten vallen) en eindigt met een fijne beweging (een knoop leggen in het touw). Wat we vaak zien in de praktijk is dat kinderen die moeite hebben met fijne motoriek, vaak ook moeite hebben met grove motoriek. Ze zijn onhandig, struikelen veel of kunnen niet goed balanceren.
Door eerst de grove motoriek te trainen via thema's als Jonge Sporthelden, zal de fijne motoriek vaak vanzelf verbeteren. Je bouwt als het ware aan de fundering.
Praktische tips voor de pedagogisch medewerker
Hoe pas je dit nu toe in de dagelijkse praktijk? Je hoeft geen dure cursussen te volgen of honderden euro's uit te geven aan materiaal. De kracht zit hem in de eenvoud en de herhaling.
Zorg dat het materiaal bereikbaar is voor het kind. Een kind van 3 jaar moet zelf kunnen kiezen om water te schenken.
1. Water schenken en ei pellen: Zet een kan met water (250 ml) en een aantal bekertjes op een dienblad.
Laat het kind de bekers vullen. Dit traint de polsbeheersing en de hand-oogcoördinatie. Voor het pellen van eieren: kook eieren, pel ze half en laat het kind de schil verwijderen.
Dit is een intense oefening voor de vingertjes. 2.
De voorbereiding op schrijven: Start nooit direct met schrijven. Begin met grove motoriek. Laat kinderen met stoepkrijt grote cirkels tekenen op de grond. Dit activeert de schouder en de elleboog.
Daarna kun je overstappen op het werpen van een bal vanuit de pols. Pas als deze bewegingen geautomatiseerd zijn, mag je een potlood aanbieden.
3. De volgorde van materiaal: Houd rekening met de prijs van materiaal, maar focus op kwaliteit.
Een Nienhuis sleutelwerk van €50 is een investering die jaren meegaat. Zorg dat je materiaal aanbiedt van klein naar groot, van simpel naar complex. Begin met een simpele sleutel, eindig met een ingewikkelde.
4. Wees een gids, geen leraar: Laat het kind het zelf doen. Het mag mislukken. Als er water wordt gemorst, ruim je het op en mag het kind het opnieuw proberen.
Deze fouten zijn essentieel voor het leerproces. Het kind leert hierdoor zijn eigen lichaam beter inschatten.
De 'Daily Life' oefeningen zijn dus veel meer dan alleen huishoudelijke taken. Het is een wetenschappelijk onderbouwde manier om de motoriek te ontwikkelen.
Door de grove motoriek voor te laten gaan op de fijne motoriek, leg je een stevige basis. Zo help je kinderen in de kinderopvang en BSO om uit te groeien tot zelfstandige, capabele individuen. En dat begint bij dat ene ei op tafel.
